Home > Verhalen > Dat kan ik niet. Dat ken ik dus niet.

Dat kan ik niet. Dat ken ik dus niet.

Toen Toine van der Voort (60) te horen kreeg dat hij uitgezaaide kanker had, besloot hij alles te doen wat nodig was om zo lang mogelijk te blijven leven. Ondanks 45 (!) chemokuren komt hij nog steeds twee keer per week in de sportschool. Hij is ervan overtuigd dat hij mede daardoor nog leeft.

“Drie jaar geleden werd ik eruit gepikt tijdens het bevolkingsonderzoek: darmkanker. Een dag later vertelde de oncoloog dat het was uitgezaaid naar mijn lever en longen. Het was behandelbaar, maar de kans dat ik het zou overleven was 5%. Van de ene dag op de andere was ik een doodzieke patiënt, met waarschijnlijk nog maar een paar maanden te gaan. Veel tijd om erbij stil te staan, had ik niet. Een week later kreeg ik mijn eerste chemokuur, de arts vond het onverantwoord om nog langer te wachten. Man, wat werd ik daar ziek van. In vier dagen tijd viel ik zes kilo af; ik deed niks anders dan zweten en overgeven. Terwijl ik zeiknat en hondsberoerd in mijn bed lag, dacht ik: zo kun je beter dood zijn.

Na vier dagen besloot ik toch uit bed te komen. In het ziekenhuis hadden ze gezegd dat bewegen heel belangrijk was, dus dat wilde ik proberen – opgeven kon altijd nog. Die vechtlust had ik als klein voetballertje al. Winnen met 5-0 was voor mij nooit genoeg, ik ging altijd voor de 6-0. Ik begon met een wandeling in de wijk. Ik voelde me echt ellendig en het ging ontzettend langzaam, maar dat maakte me niks uit. Elke dag ging het iets beter. Op de twaalfde dag besloot ik weer naar de sportschool te gaan, het verbaasde me wat ik toch nog kon. Vanaf dat moment ging ik weer trouw elke week twee of drie keer – chemokuur of niet. Ik had sterk het gevoel dat die kuren me beter afgingen als ik bleef bewegen. In mijn fanatisme ging ik in het begin weleens over mijn grenzen, dan kon ik de volgende dag niks meer. Maar uiteindelijk vond ik een goede balans.

Ik ben ook gezonder gaan eten, met dank aan de kookkunsten van mijn vrouw Peggy. Veel verse groente en kruiden, bijna geen alcohol, altijd bruine boterhammen. Vlees eten we met mate; en dan geen kiloknallers, maar goede kwaliteit van de markt of slager. Ook gezonde vetten heb ik nodig, het is voor mij niet goed om teveel vet te verliezen. Ik ben ervan overtuigd dat ik dankzij die combinatie van gezond eten, bewegen en rusten nog leef. Mijn lichaam had die 45 chemo’s nooit aangekund als ik niet zo goed voor mezelf zorgde. Ik heb dat gif nodig om de kanker te bestrijden, maar het blijft gif: een enorme aanslag op je lichaam.

Stay strong – dat is mijn motto. Ik heb op de dagbehandeling ook kankerpatiënten ontmoet die bleven hangen in verdriet en kwaadheid, of de moed al bijna hadden opgegeven. Dat begrijp ik niet. Als je op de bank blijft liggen, zegt de kanker: dankjewel, als je niet tegen me vecht, dan pak ik je. Ook mensen die (nog) niet ziek zijn maar wel ongezond leven, begrijp ik niet. Hoezo is sporten niks voor jou? Probéér het nou eerst eens! Begin gewoon ergens, op je eigen niveau, en zet elke dag een stapje verder. En als het een keer niet lukt, niet meteen opgeven. Het gevoel dat je krijgt als het wél lukt, is zo’n beloning. En nog belangrijker: als je gezond leeft, word je misschien wel nooit ziek. Dat wil toch iedereen?

Na drie jaar kuren ben ik niet meer elke dag met mijn dood bezig. Toen ik 60 werd, vond ik dat een bijzondere mijlpaal: nu heb ik toch 2/3 van de maximale leeftijd bereikt. Daar ben ik dankbaar voor; er zijn genoeg mensen die veel jonger sterven. Bang voor mijn einde ben ik niet, nooit geweest ook, maar ik hoop wel dat ik nog een tijdje meega. Ik wil in elk geval de geboorte van mijn twee kleinkind nog meemaken.”